In een eerder artikel schreef ik over simplisme als culturele reflex, ons onvermogen om complexiteit te verdragen in technologie, politiek en theologie. De reacties die ik ontving waren herkenbaar: ja, dit zien we overal. Maar er was één opmerking die mij het meest bezighield, en die ikzelf al voelde tijdens het schrijven.
Die opmerking was van mijzelf, achteraf: de theologische antwoorden op simplisme zijn zelf ook simplisme.
Dubbele predestinatie lost de spanning tussen goddelijke soevereiniteit en menselijke vrijheid op door menselijke vrijheid op te offeren. Open theism lost dezelfde spanning op door goddelijke alwetendheid te begrenzen. Beide zijn intellectueel consistent. Beide zijn vermoedelijk niet waar, niet omdat ze verkeerd redeneren, maar omdat ze een onuitstaanbare spanning opheffen die misschien bedoeld is om te blijven staan.
Wij hebben een onverwoestbare tendens om het onvatbare te vangen. En dat geldt nergens zo sterk als bij God.
De oudste val
Het gouden kalf in Exodus is niet een verhaal over afgoderij in de primitieve zin, het volk vervangt JHWH door een koe. Het is subtieler dan dat. Aäron zegt bij het kalf: ‘Dit is uw god, Israël, die u uit het land Egypte heeft geleid.’ Het kalf is een representatie van dezelfde God, maar dan in een vorm die begrijpelijk is. Tastbaar. Aanwezig op een manier die je kunt zien en controleren.
Mozes is de berg op. God is onzichtbaar, onberekenbaar, gevaarlijk nabij in de wolk en de vuurkolom. Dat is ondraaglijk. Het kalf is het antwoord op die ondraaglijkheid: dezelfde God, maar dan op maat gemaakt.
Dat patroon is niet verdwenen. Het herhaalt zich in elke theologie die God reduceert tot iets beheersbaars. Een God die altijd geneest als je de stappen volgt. Een God wiens wil volledig leesbaar is in wat er met je gebeurt. Een God wiens plan voor jouw leven concreet en persoonlijk is uitgestippeld. Een God die past in een systeem.
“Si comprehendis, non est Deus.”, Augustinus van Hippo (Als je het begrijpt, is het God niet.)
Augustinus schreef dit niet als een vlucht uit het denken. Het is de conclusie van een leven lang intensief denken over God, en de eerlijke eindstand: een wezen dat de totaliteit van werkelijkheid, tijd, vrijheid en zijn omvat, overtreft per definitie het cognitieve vermogen van iemand die zelf onderdeel is van die werkelijkheid. Wie denkt God te hebben doordacht, heeft iets doordacht, maar dat iets is niet God.
Geleerde onwetendheid
Nicolaas van Cusa noemde dit in 1440 docta ignorantia, geleerde onwetendheid. Niet de onwetendheid van iemand die niet heeft nagedacht. Maar de onwetendheid die je bereikt ná het nadenken, als vrucht ervan. Je denkt zo ver als je kunt en stuit op de grenzen van je eigen denkvermogen. Die grens is zelf theologisch informatief: ze wijst naar een werkelijkheid die groter is dan het gereedschap dat je hebt om haar te meten.
Tim Keller sprak over theologie op ‘need to know basis’. Niet elk theologisch vraagstuk hoeft opgelost te worden om trouw te leven. Sommige spanningen mag je dragen zonder ze op te heffen. Goddelijke soevereiniteit én menselijke vrijheid zijn allebei bijbels, allebei werkelijk, en allebei niet volledig te verzoenen in een menselijk systeem. Wie de spanning opheft, in welke richting dan ook, heeft een oplossing gekocht voor een prijs die hij niet doorheeft: hij heeft een God gecreëerd die past in zijn begrip.
Een God die volledig begrijpelijk is, is niet groot genoeg om God te zijn.
Job en zijn vrienden
Het boek Job is misschien wel de meest radicale tekst in de Bijbel over dit thema. Job heeft vragen, goede, gerechtvaardigde vragen over lijden en rechtvaardigheid. Zijn vrienden hebben antwoorden. Elifaz, Bildad en Sofar redeneren theologisch consistent: God is rechtvaardig, Job lijdt, dus Job moet gezondigd hebben. Hun systeem klopt. Hun God past in een model.
God spreekt uit de wervelwind, en geeft geen antwoord op Jobs vragen. Hij stelt vragen terug: Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Wie sloot de zee met deuren af? Het is geen theodicee. Het is een openbaring van schaal: het verschil tussen de vragensteller en Degene die gevraagd wordt is zo groot dat de vraag zelf van vorm verandert.
En dan het meest verrassende: God zegt dat Job gelijk had en de vrienden ongelijk. Niet omdat Job de betere theologie had, zijn vrienden hadden de betere antwoorden. Maar omdat Job werkelijk tot God sprak, terwijl zijn vrienden over God spraken. De vrienden beheersten het systeem. Job hield vast aan de relatie, ook in razernij en wanhoop. Dat bleek de theologisch correctere houding.
Wat dit betekent voor de theologie van onze tijd
De genezingstheologie van Tom de Wal is niet primair een fout over genezing. Het is een fout over God: een God die volledig voorspelbaar is, volledig beschikbaar, volledig beheersbaar mits de juiste stappen worden gezet. Een God wiens wil altijd samenvalt met gezondheid en welvaart. Een God die past.
Maar ook het tegendeel, een theologie die God zo ver verheft boven de werkelijkheid dat hij er niets mee te maken heeft, is dezelfde fout in omgekeerde richting. Het gouden kalf van de theologisch correcte afstandelijkheid.
De eerlijke positie is ongemakkelijker dan beide. Ze ziet er ongeveer zo uit als wat Paulus schrijft in 1 Korintiërs 13:12:
“Want nu zien wij door een spiegel, in raadselen, maar straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik kennen, zoals ik zelf gekend ben.”
Ten dele. Dat is niet een tijdelijk tekort dat met meer studie wordt opgelost. Het is de structurele verhouding tussen een eindig kenner en een oneindige werkelijkheid. Het is geen gebrek aan geloof, het is een eerlijk rapport over de stand van zaken.
De vrijheid die hieruit volgt
Er zit iets bevrijdends in dit inzicht, als je het toelaat. Je hoeft de spanning tussen soevereiniteit en vrijheid niet op te lossen. Je hoeft het lijden van goede mensen niet theologisch weg te verklaren. Je hoeft niet te kiezen tussen een God die alles bepaalt en een God die niets weet. Je mag zeggen: dit overstijgt mijn begrip, en dat is geen geloofstekort maar een eerlijk antwoord op wie God is.
Dat maakt de theologie niet leeg. Het maakt haar bewoonbaar. Een God die past in een systeem, kan je in ruil daarvoor controleren, maar hij kan je niet verrassen, niet werkelijk bevragen, en niet groter zijn dan je eigen begrip van hem. Een God die je begrip overstijgt, kan dat alles wel.
Augustinus, Keller, Job en de Psalmen zijn het op dit punt eens: de houding die het meest recht doet aan wie God is, is niet de houding van iemand die het heeft uitgedacht, maar van iemand die in relatie staat met een werkelijkheid die hij niet volledig kan bevatten, en die dat durft te zeggen.
Niet weten wie God volledig is, is geen theologisch falen. Het is de meest eerlijke theologische positie die er bestaat.
En misschien is dat ook het antwoord op het simplisme van onze tijd, niet een beter model, maar de bereidheid aanwezig te zijn bij wat we niet kunnen beheersen. In technologie, in politiek, in samenleving. En bij God.
Reacties
Liever geen GitHub? Reageer ook via mail naar reageer@brandsma.it. Waardevolle reacties die binnenkomen verschijnen later, met toestemming, in een Reacties-blok onderaan de post.